Een klas waarin iedereen leert denken

 Stel je voor: de meester of juf schrijft een moeilijke som op het bord. Daarna zegt de leerkracht: „Probeer deze maar eens op te lossen.” In plaats van meteen uit te leggen hoe het moet, gaan de leerlingen zelf aan de slag. Ze overleggen, proberen iets uit, maken fouten en beginnen opnieuw. In deze klas gaat het niet alleen om het goede antwoord. Het belangrijkste is dat leerlingen nadenken. Dit idee staat centraal bij de lesmethode Building Thinking Classrooms. Deze aanpak is ontwikkeld door de Canadese onderzoeker Peter Liljedahl.

Liljedahl vroeg zich af waarom leerlingen tijdens sommige lessen weinig nadenken. Hij zag dat leerlingen soms vooral wachten op uitleg van de leerkracht. Als ze daarna een soortgelijke som krijgen, weten ze vaak wel welke stap ze moeten nadoen, maar niet altijd waarom die stap werkt. Liljedahl wilde daarom onderzoeken hoe een klas zo ingericht kan worden dat leerlingen vaker zelf gaan denken en problemen proberen op te lossen.

Een belangrijk onderdeel van de methode is het werken met denkproblemen. Dat zijn opdrachten waarbij leerlingen niet meteen weten hoe ze het antwoord kunnen vinden. Er kan bijvoorbeeld meer dan één manier zijn om een probleem op te lossen. Juist doordat leerlingen even vastlopen, moeten ze ideeën bedenken, overleggen en nieuwe strategieën proberen. Een fout is daarbij niet alleen iets wat je moet verbeteren. Een fout kan ook informatie geven over hoe je verder kunt komen.

Ook de manier waarop leerlingen samenwerken is belangrijk. Bij Building Thinking Classrooms worden leerlingen regelmatig in willekeurige groepjes ingedeeld. Zo werken ze niet steeds met dezelfde klasgenoten. Bovendien werken de groepjes vaak staand aan een whiteboard of een ander oppervlak waarop ze gemakkelijk kunnen schrijven en weer uitwissen. Hierdoor kunnen leerlingen snel iets proberen zonder bang te zijn dat hun schrift vol komt te staan met fouten. Ze kunnen hun ideeën ook makkelijker aan elkaar laten zien.

De rol van de leerkracht verandert hierdoor. De leerkracht vertelt niet voortdurend wat leerlingen moeten doen, maar kijkt goed naar hun denkproces. Als een groep vastloopt, geeft de leerkracht bijvoorbeeld een kleine hint. De bedoeling is dat de leerlingen daarna zelf weer verder kunnen. Op een vraag als „Is dit goed?” geeft de leerkracht daarom niet altijd direct antwoord. Een leerling die weet dat het antwoord goed is, hoeft immers niet meer na te denken. Een vraag als „Hoe kunnen we controleren of dit klopt?” zorgt er juist voor dat het denken doorgaat.

Aan het einde van de les is het belangrijk om stil te staan bij wat de leerlingen hebben ontdekt. Verschillende oplossingen kunnen samen worden besproken. De klas kijkt dan niet alleen naar het antwoord, maar vooral naar de manieren waarop leerlingen hebben gedacht. Zo leren leerlingen van elkaar. Een leerling kan bijvoorbeeld ontdekken dat een klasgenoot een heel andere aanpak heeft gebruikt. Misschien werkt die aanpak zelfs beter of sneller.

Building Thinking Classrooms gaat dus over meer dan alleen staand werken aan een whiteboard of groepjes maken. De achterliggende gedachte is dat leerlingen beter leren wanneer ze actief betrokken zijn bij het denken. Ze leren niet alleen wat het antwoord is, maar ook hoe ze een probleem kunnen aanpakken. De klas wordt zo een plek waar nieuwsgierigheid, samenwerken, fouten maken en doorzetten allemaal onderdeel zijn van het leren.

 

Interesse in het boek? Deze bestel je eenvoudig via bol.com